Wat is Myelodysplastisch Syndroom (MDS)
?
De benaming Myelodysplastisch Syndroom (MDS), ook wel myelodysplasie genoemd,
staat voor een groep van beenmergstoornissen waarbij de productie van
bloedcellen ernstig is verstoord.
MDS is een zeldzame bloedziekte die ontstaat als het lichaam op een verkeerde
manier begint met het aanmaken van bloedcellen. Het resultaat van deze
gestoorde aanmaak zijn misvormde en niet goed uitgegroeide bloedcellen.
De slechte kwaliteit van de bij MDS geproduceerde bloedcellen veroorzaakt
dat een belangrijk deel van deze bloedcellen al wordt vernietigd voordat
zij het beenmerg verlaten. Dit betekent dat het aantal rode en witte bloedcellen
en bloedplaatjes bijzonder laag kan worden. Deze conditie wordt anemie
(rode cellen te laag), leukocytopenie (witte bloedcellen te laag), trombocytopenie
(bloedplaatjes te laag) of pancytopenie (alle drie te laag) genoemd.
Bij MDS is er niet alleen sprake van een productie van gestoorde bloedcellen,
maar kunnen sommige voorlopercellen ook ontsporen richting acute leukemie.
MDS wordt daarom soms ook aangeduid als preleukemie, een verouderde terminologie.
In ongeveer een derde van de gevallen van MDS ontwikkelt zich inderdaad
een acute vorm van leukemie, meestal acute myeloïde leukemie (AML).
Bij MDS worden vaak bepaalde karakteristieke afwijkingen in de chromosomen
vastgesteld. Dezelfde afwijkingen worden ook vaak vastgesteld bij AML
. Sommige gevallen van MDS die zich uiteindelijk niet ontwikkelen tot
een acute vorm van leukemie, kunnen daar soms sterk op lijken door de
toename van het aantal primitieve voorlopercellen (blasten) in het beenmerg.
Deze gevallen worden vaak aangeduid als “sluimerende” leukemie
(in het engels “smouldering” leukemia).
MDS wordt voornamelijk vastgesteld bij mensen tussen de 60 en 80 jaar
en bij deze groep meer bij mannen dan bij vrouwen. Bij jongere patiënten
ligt dit ongeveer gelijk. Het aantal jongeren onder de MDS patiënten
is stijgende. Ook als gevolg van een verbeterde diagnosestelling neemt
het aantal geconstateerde gevallen van MDS toe. MDS komt naar diverse
schattingen bij ongeveer 1 op de 12.500 tot 25.000 mensen voor.
De ziekte schijnt meer voor te komen in Azië, India, Rusland, Mexico,
Zuid-Amerika en Afrika dan in Noord-Amerika en Europa.
De behandeling bij MDS is voornamelijk gericht op symptoombestrijding.
MDS is namelijk over het algemeen niet te genezen. Alleen bij bepaalde
vormen van MDS is genezing mogelijk. Dit kan worden bereikt met hoge dosis
chemotherapie, leventueel gevolgd door stamceltransplantatie.
Echter, de meeste patiënten met MDS zijn veelal te oud om voor een
dergelijke zeer intensieve behandeling met vele risico’s in aanmerking
te komen. Bij jongere patiënten kan de toepassing van chemotherapie
of stamceltransplantatie leiden tot een lange periode van vrij zijn van
ziekteverschijnselen en soms leiden tot volledig herstel. In zeldzame
gevallen komt het voor dat patiënten met een minder agressieve vorm
van MDS spontaan genezen.
MDS werd pas in 1976 gezien als een aparte groep bloedziekten. MDS had
in de loop der tijd diverse benamingen zoals: refractairy anemie, preleukemie,
oligoblasten anemie, myelodysplastische anemie en hematopoïetische
dysplasie.
MDS kan alle typen bloedcellen betreffen en een of meerdere specifieke
problemen die daarbij kunnen optreden zijn bloedarmoede (anemie), infecties
door een te lage weerstand als gevolg van een te laag aantal granulocyten
of bloedingen door een vermindering van het aantal bloedplaatjes.
Bloedcelproductie
Het lichaam heeft drie soorten bloedcellen: rode bloedcellen (erytrocyten)
die de zuurstof door het lichaam vervoeren, witte bloedcellen (leukocyten)
die helpen infecties te bestrijden en bloedplaatjes (trombocyten) die
bloedingen stelpen.
De witte bloedcellen kunnen verder worden onderverdeeld in granulocyten
(met een verdere onderverdeling in neutrofielen, eosinofielen en basofielen),
lymfocyten en monocyten.
De bloedcellen worden aangemaakt in de sponsachtige kern van het beenmerg.
Het beenmerg maakt de stamcellen aan. Uit deze stamcellen ontstaan uiteindelijk
de diverse typen bloedcellen. Stamcellen reageren op chemische signalen
(cytokines) die het lichaam afgeeft wanneer er bepaalde soorten bloedcellen
moeten worden aangemaakt om het aantal op het benodigde peil te brengen.
De stamcel ondergaat dan een proces dat celdeling wordt genoemd waarbij
de cel steeds weer in twee nakomelingen opdeelt. Hierdoor ontstaan er
steeds weer nieuwe bloedcellen.
Deze nakomelingen rijpen uit en ontwikkelen zich stapsgewijs tot volwaaardige
rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes die tenslotte door
het beenmerg aan het bloed worden afgegeven.
Oorzaken
In de meeste gevallen van MDS kan er geen oorzaak worden aangewezen. In
bepaalde gevallen - in het bijzonder bij jonge patiënten van beneden
de 30 jaar - kan MDS mogelijk optreden als gevolg van de behandeling voor
andere vormen van kanker (met name chemotherapie). Dit word secundaire
MDS genoemd of soms ook aangeduid als
“aan behandeling – gerelateerde MDS “. In zeer zeldzame
gevallen kan er sprake zijn van in de familie voorkomende afwijkingen
die de kans om MDS te krijgen vergroten.
Ook blootstelling aan straling, chemicaliën, pesticiden en aan een
hoge concentraties van beenzeen over een langere tijd, maar ook virussen
zoals hepatitis, kunnen aanleiding zijn tot het ontwikkelen van MDS .
Indeling typen Myelodysplastisch Syndroom
MDS werd tot voor kort in vijf typen onderverdeeld volgens het zgn. FAB
– systeem, genoemd naar een groep onderzoekers uit Frankrijk, Amerika
en Groot – Brittannië.
Dit systeem bewijst zijn waarde bij het vaststellen van het waarschijnlijke
proces van de ziekte en de mate waarin de bloedcelproductie is beschadigd.
Bovendien is door de vaste terminologie voor iedereen in de wereld duidelijk
welke fase van MDS bij een individuele patiënt in het spel is. Recent
is door de World Health Organization een voorstel gedaan voor een nieuwe
classificatie, maar deze wordt nog niet universeel toegepast. Vrijwel
alle specialisten werken nog met de vertrouwde FAB classificatie, zoals
hieronder beschreven.
Onderverdeling:
- Refractaire Anemie (RA)
- Refractaire Anemie met Ring Sideroblasten (RAS) c.q (RARS)
- Refractaire Anemie met Exces aan Blasten (RAEB)
- Refractaire Anemie met Exces aan Blasten in transformatie (RAEB-t)
- Chronische Myelomonocyten Leukemie (CMML) c.q (CMMoL)
(RA)
Dit type komt in ongeveer 20-30% van de gevallen van MDS voor. Het beenmerg
is normaal of overvol (hypercellulair). De cellen in het beenmerg die
rode bloedcellen produceren zien er abnormaal uit. Er is tevens sprake
van cytopenie (verlaagd aantal cellen) bij minstens één
type bloedcellen (meestal de rode bloedcellen, waardoor er bloedarmoede
= anemie ontstaat, die niet reageert op bij voorbeeld het toedienen van
ijzertabletten, vandaar de naam “refractair”). Het aantal
blasten in het beenmerg bedraagt minder dan 5% en in het perifere bloed
minder dan 1%. De witte bloedcellen en bloedplaatjes kunnen er ook abnormaal
uitzien, maar ze functioneren vaak nog normaal. Zelden is er een ontwikkeling
richting acute leukemie.
De gemiddelde overlevingsduur bedraagt vele jaren.
(RAS) c.q (RARS)
Er worden dezelfde veranderingen vastgesteld als bij MDS(RA), maar er
worden additionele afwijkingen waargenomen bij de rode bloedcellen. Naarmate
de voorlopercellen (blasten) meer en meer defecten gaan vertonen, zijn
zij ook steeds minder in staat om gebruik te maken van ijzer om hemoglobine
aan te maken teneinde zuurstof te vervoeren. In de plaats daarvan wordt
het ijzer opgeslagen in de zich ontwikkelende rode bloedcel waarbij er
een karakteristieke ring wordt gevormd. Deze cellen worden “ring
sideroblasten” genoemd en dienen volgens afspraak in meer dan 15%
van de rode voorlopercellen aanwezig te zijn. Ongeveer 2 tot 5% van de
MDS – patiënten hebben deze vorm van MDS .
De overlevingskansen zijn gelijk aan die van MDS(RA).
(RAEB)
Bij deze vorm (die ongeveer 30-35% van de MDS patiënten betreft)
komen meer abnormale primitieve bloedcellen en bloedplaatjes voor. Dit
geeft een indicatie dat het aantal afwijkende cellen bij de bloedproductie
is toegenomen. Het aantal blasten in het beenmerg ligt tussen de 5% en
20% en minder dan 5% in het perifere bloed. Er is sprake van cytopenie
bij tenminste 2 soorten bloedcellen.
Ongeveer 40 % van de patiënten met MDS(RAEB) kunnen uiteindelijk
een vorm van acute leukemie krijgen, meestal AML . Daarom zijn de overlevingskansen
slechter. De helft van de patiënten leeft niet langer dan ongeveer
1,5 jaar.
(RAEB-t)
Bij deze vorm van MDS (25% van de MDS patiënten) vertoont het beenmerg
veel gelijkenis met acute leukemie, waarbij het aantal blasten (leukemiecellen)
tussen dat van de RAEB en de AML in zit. Er is sprake van cytopenie bij
tenminste 2 typen bloedcellen. De kans om een volledige vorm van acute
leukemie (meestal AML) te krijgen ligt tussen de 60% en 70%. De gemiddelde
overlevingstijd is dan ook nog slechter, namelijk maximaal 6 maanden.
Dit houdt in dat de helft van de patiënten, die meestal tot de oudere
leeftijdscategorie behoort, niet langer dan een half jaar leeft. Omdat
het ziektebeeld zo dicht staat bij AML, wordt in de nieuwe WHO classificatie
de RAEB-t niet meer apart benoemd, maar wordt het beeld bij > 20% blasten
automatisch tot de AML gerekend en als zodanig ook behandeld.
(CMML) c.q (CMMoL)
Dit is een buitenbeentje bij de MDS-groep. Bij deze vorm van MDS is er
een toename van het aantal monocyten in het bloed (monocytosis) en in
het beenmerg, met wederom soms een toename aan blasten van 5% tot 20%.
Een kleine teruggang in het aantal bloedplaatjes wordt meestal waargenomen
en er kan sprake zijn van anemie. Van het aantal gevallen van MDS maakt
deze vorm ongeveer 15% tot 20% uit. De gemiddelde overlevingsduur bedraagt
ongeveer 12 tot 18 maanden.
Ook deze vorm kan uiteindelijk bij ongeveer 30% van de patiënten
overgaan in een vorm van acute leukemie, veelal AML . In de nieuwe WHO
classificatie wordt deze vorm van MDS apart gezet, aangezien het ziektebeeld
meer op andere vormen van chronische leukemie lijkt dan op de bovenvermelde
MDS-vormen.
Variaties
Naast de 5 hoofdvormen van MDS bestaan er nog een aantal variaties, zoals:
- Hypoplastische MDS
- 5q-Syndroom
- MDS met fibrosis
- t- MDS (therapie gerelateerde MDS)
Van deze vormen is de prognose individueel verschillend. Patiënten
met een 5q- syndroom leven gemiddeld langer. Patiënten met een therapie
-gerelateerde MDS daarentegen hebben juist een slechtere prognose.
Risico’s en prognose
De prognose is sterk afhankelijk van de onderverdeling van de typen MDS
volgens de FAB classificatie. Patiënten met refractaire anemie en
refractaire anemie met sideroblasten maken minder kans op verergering
van de ziekte dan de meer agressieve vormen van MDS. Patienten met de
"mildere"vormen van MDS zullen uiteindelijk mogelijk niet aan
MDS, maar aan andere oorzaken overlijden.
Een deel van de MDS - patiënten, vooral als er sprake is van een
zogenaamde RAEB of RAEB-t vorm, zal een vorm van acute leukemie ontwikkelen,
meestal Acute Myeloïde Leukemie.
Bij het opstellen van een prognose wordt gebruik gemaakt van het :
International Prognostic Scoring System (IPSS)
Bij dit systeem worden er 3 factoren bezien die een goede indicatie kunnen
geven van de vooruitzichten, n.l het % blasten in het beenmerg, het zgn.
karyotype ( het profiel van chromosomale afwijkingen, zie verderop bij
“Onderzoek en diagnose”) en de mate van voorkomen van cytopenie.
De score van dit prognostisch systeem loopt van 0 t/m 2.0 met 0 als de
beste score.
factor scoringswaarde
Variabele: 0 / 0,5 / 1.0 / 1.5 / 2.0
Beenmerg-blasten: <5 / 5 % - 10 / ------- / 11 - 20 % / 21 - 30%
Karyotype: Gunstig / Gemiddeld / 0ngunstig
Cytopenie : 0 of 1 / 2 of 3
Risico scores
Laag risico 0
Gemiddeld 1 0,5 - 1.0
Gemiddeld 2 1,5 - 2.0
Hoog risico 2.5 en hoger
Signalen en symptomen
Op het tijdstip dat de diagnose wordt gesteld vertonen sommige patiënten
nog geen symptomen van de ziekte. MDS wordt vaak vastgesteld tijdens een
routine onderzoek.
De meest voorkomende symptomen worden veroorzaakt door anemie, inclusief
de daarbij behorende oververmoeidheid en het snel buiten adem raken.
De meest voorkomende signalen en symptomen zijn:
- extra vermoeidheid bij inspanning
- blijvende vermoeidheid en zwakte
- ademnood bij inspanning
- duizeligheid en hoofdpijn
- toenemend aantal bloedingen
- ernstige bloeduitstortingen
- koorts die langer dan enige dagen achtereen duurt
- veelvuldig voorkomen van infecties en het ernstiger worden daarvan
- gewichtsverlies zonder duidelijke oorzaak
- vergroting van milt en lever
- pijn in de botten
NB! Deze signalen en symptomen komen niet exclusief bij MDS voor. Ook
bij andere ziekten komen ze voor. Het kan wel een indicatie zijn om onderzoek
in bepaalde richtingen te doen.
Onderzoek en diagnose
De behandelend arts zal naast een lichamelijk onderzoek om lymfekliervergrotingen
en eventuele afwijkingen in milt en lever vast te stellen ook een röntgenologisch
onderzoek en eventueel een echografie laten uitvoeren. Daarnaast vindt
er een bloedonderzoek plaats waarbij de aantallen en conditie van de diverse
bloedcellen en o.a. het hemoglobine gehalte worden vastgesteld.
Een MDS- patiënt zal meestal een verlaagd aantal rode bloedcellen
(erythrocyten) en bloedplaatjes (trombocyten) hebben en ook het aantal
witte bloedcellen (leukocyten) kan lager zijn dan normaal.
Bij MDS–patiënten zal een beenmergpunctie worden uitgevoerd
vaak gevolgd door het verwijderen van een stukje bot uit het beenmerg
(beenmergbiopsie) voor nader onderzoek (chromosomen analyse), type bepaling
en vaststelling van de omvang van de blasten.
Het vaststellen van het type MDS is belangrijk om vast te stellen hoe
de ziekte zich zal gaan ontwikkelen. Het chromosomenonderzoek is ook belangrijk
om vast te stellen hoe op een behandeling zal worden gereageerd. Bij onderzoeken
is vastgesteld dat bij bijna de helft van alle MDS–patiënten
duidelijk herkenbare afwijkingen in de chromosomen kunnen worden vastgesteld.
Deze afwijkingen worden veroorzaakt door de ziekte, en betreffen dus geen
erfelijke aangelegenheid. Bepaalde afwijkingen, zoals b.v het geïsoleerde
verlies van het Y, 5q of 20q chromosoom, geven aan dat er waarschijnlijk
sprake is van een milde of minder ernstige vorm van de ziekte. Afwijkingen
in chromosoom 7 of complexe afwijkingen van drie of meer chromosomen duiden
over het algemeen op een meer ernstiger vorm van MDS .
Patiënten zonder afwijkingen in de chromosomen hebben een verwachte
levensduur die tussen die van de goede en slechtere groep in zit.
De signalen en symptomen bij MDS zijn vaak gelijk aan die bij andere ziektebeelden.
Ze zijn derhalve niet toereikend om de diagnose MDS te stellen. De diagnose
MDS moet echter worden verondersteld bij elke patiënt met een onverklaarbare
refractaire anemie.
De diagnose wordt bevestigd door bloed - en beenmergonderzoek, liefst
dus in combinatie met chromosoomanalyse.
Behandeling
Bij het merendeel van de patiënten zal de behandeling zijn gericht
op het onder controle houden van de symptomen en het bevorderen van de
kwaliteit van leven.
De omstandigheden zijn bij elke patiënt weer iets anders, zodat de
behandeling bij elke patiënt ook net weer iets anders zal zijn.
Er is momenteel geen standaard behandeling voor MDS patiënten dan
het geven van ondersteunende behandelingen om de patiënt te ontlasten
bij bepaalde symptomen, b.v. door het zonodig geven van transfusies met
rode bloedcellen en/of bloedplaatjes.
Patiënten met een milde vorm van anemie hebben echter over het algemeen
geen transfusie nodig. Patiënten met een laag aantal witte bloedcellen
kunnen zo nodig worden behandeld met antibiotica ter voorkoming of behandeling
van infecties. Ook wordt er een heel enkele maal gebruik gemaakt van groeifactoren
als G-CSF en GM-CSF. Zij kunnen worden gebruikt ter stimulering van de
productie van gezonde witte bloedcellen zoals granulocyten en monocyten.
De waarde van de behandeling met groeifactoren is omstreden. Probleem
is bovendien dat deze zeer dure medicamenten dagelijks per injectie toegediend
moeten worden, en dat wanneer gestopt wordt met deze behandeling het aantal
witte bloedcellen helaas weer snel terug loopt.
De behandeling van MDS met cytostatica is over het algemeen teleurstellend
gebleken.
Indien zij werkzaam waren, waren de resultaten vaak van korte duur. In
bepaalde gevallen echter zijn de middelen die worden gebruikt bij de behandeling
van acute myeloïde leukemie succesvol bij bepaalde typen MDS zoals
RAEB en RAEB–t , wanneer zij in hoge doses worden toegediend.
Momenteel worden er therapieën geëvalueerd die, door middel
van geforceerd uitrijpen van de cellen, proberen de productie van gezonde
volwassen bloedcellen in het beenmerg te corrigeren.
De enige therapie die de ziekte met kans van slagen kan bestrijden, is
intensieve chemotherapie en stamceltransplantatie. Deze behandeling wordt
alleen toegepast bijpatienyen met een MDS met een hoog risico en bovendien
bij jongere patienten of patienten van middelbare leeftijd.
De meeste patiënten met MDS zijn boven de 60 jaar en daarom over
het algemeen niet geschikt voor intensieve chemotherapie en evenmin in
staat om een stamceltransplantatie met succes te ondergaan. De risico’s
om te overlijden door deze behandeling zijn voor deze groep momenteel
veel groter dan de kans op succes.
Jongere patiënten hebben bij een donor-stamceltransplantatie redelijk
goede vooruitzichten om over een lange periode vrij van ziekte te zijn.
Naarmate zij minder blasten in het beenmerg hebben, nemen de kansen steeds
meer toe. Allogene stamceltransplantatie (AlloSCT) is dan ook te overwegen
bij patiënten jonger dan 45 jaar voor wie een HLA – identieke
familiedonor beschikbaar is (zie ook NB1 aan het eind van dit stuk).
Door middel van medische onderzoeken (clinical trials) worden er studies
verricht om veelbelovende nieuwe geneesmiddelen, combinaties van middelen
en nieuwe behandelings- methoden te evalueren of meer te leren over behandelingen
die momenteel in gebruik zijn. Deze studies zijn belangrijk omdat de informatie
die daarbij wordt verkregen, bijdraagt aan het bereiken van meer veilige
en effectievere behandelingsmethoden. Patiënten die voor deze trials
in aanmerking komen worden meestal via hun behandelende arts daarover
geïnformeerd en aangezocht om – volgens een vastgesteld protocol
- op vrijwillige basis deel te nemen
|